I. Veelvoorkomende storingen en probleemoplossing van de lagesnelheidscentrifuge
1. Geen stroomindicatie na opstarten:
a) Controleer of de stroomvoorziening binnenshuis normaal is.
b) Controleer of de stekker en het stopcontact goed contact maken.
c) Controleer of de zekering is doorgebrand.
2. Overmatige trillingen na opstarten:
a) Controleer of de gewichtsafwijking van de gescheiden vloeistof in de symmetrisch geplaatste centrifugebuizen te groot is.
b) Controleer of de rotorsleuf op de motoraspen rust.
II. Installatie van de hoofdeenheid van de lagesnelheidscentrifuge
1. Vereisten voor de installatielocatie:
A. De installatieondergrond moet stevig zijn en de binnenruimte moet droog, schoon en beschermd tegen direct zonlicht zijn.
B. De binnenruimte moet voorzien zijn van een aparte aardingsdraad om de elektrische veiligheid te garanderen.
2. Installatie van de hoofdeenheid van de lagesnelheidscentrifuge op een werkblad:
A. Installeer de hoofdeenheid op een stevig werkblad en zorg ervoor dat alle vier de poten contact maken met het oppervlak.
B. De afstand tussen de centrifuge en de wanden moet groter zijn dan 0,1 m om een goede ventilatie te garanderen.
C. Voeding: AC 220V 50Hz. De draaddoorsnede moet minimaal 2,5 vierkante millimeter zijn. De aardingsdraad moet stevig aangesloten zijn.
III. Onderhoud en verzorging van de lagesnelheidscentrifuge
1. Veeg na het centrifugeren, indien de centrifuge die dag niet opnieuw wordt gebruikt, de centrifugekamer, de rotor en de centrifugebuizen droog met een schone, zachte doek om eventuele resten te verwijderen.
2. Controleer de rotor en de centrifugebuizen regelmatig op scheuren.
3. Indien het instrument langer dan een maand niet wordt gebruikt, verwijder dan de rotor uit de centrifugekamer. Breng een dun laagje vet aan op het centrale gat van de rotor en de centrifugeas. Bewaar de rotor op een droge plaats.